Ambten, functies, beroepen en militairen
In de archieven is ook informatie opgenomen over mensen die als bestuurder het gewest, de stad of het dorp hebben gediend, als ambtenaren bij de overheid in dienst waren, tot een beroepsgroep behoorden of beroeps- en/of dienstplichtig militair waren. De verschillende bronnen die over deze beroepsgroepen in Zeeuwen Gezocht zijn opgenomen, zijn in een aparte groep ondergebracht [stand per 1 juli 2010].
• Ambtgeld Tholen 1702-1796
Namen van personen die een publieke functie uitoefenden in het achttiende-eeuwse Tholen en daarvoor ambtgeld moesten betalen. Dit bestand is beschikbaar gesteld door de gemeentearchivaris van Tholen.
• Appointés: gepensioneerde en invalide militairen 1681-1798
De betaling van de kosten van de verschillende onderdelen van het Staatse leger ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1575-1795) was volgens een verdeelsleutel tussen de gewesten, vastgelegd in de Staten van Oorlog, die jaarlijks werden vastgesteld. Holland droeg de zwaarste lasten, maar ook Zeeland en Utrecht betaalden forse sommen. De diverse regimenten en troepen waren het eigendom van hun kapitein of kolonel. Deze kreeg een som geld van de gewestelijke Staten en hij wierf daarvoor soldaten aan en dankte ze ook weer af. Er werd een eenvoudige administratie bijgehouden met monsterrollen en betaalrollen, maar ook deze was eigendom van de kleine ondernemer.
In Zeeland werden de kosten voor de landlegers geadministreerd door de ontvangers-generaal van de administratie van de oorlog te lande.
De bijkomende lasten, zoals pensioenen voor oude en invalide militairen, werden ook per gewest geregeld. Van iedere soldij-ordonnantie werd respectievelijk vijftien gulden voor de Zeeuwse compagniën 'te voet' en vijf gulden voor de compagniën 'te paard' geïnd. In Zeeland werden de uitkeringen op voorstel van de Staten individueel toegekend op basis van een resolutie van de Gecommitteerde Raden (het dagelijks bestuur) aan militairen die door verminking in de strijd of verval van krachten bij langdurige dienst daarvoor in aanmerking kwamen. Deze werden toen appointés genoemd. Het valt op dat aanvankelijk veel geappointeerden in Middelburg woonden. Ook weduwen en een enkele wees kwamen soms in aanmerking voor een uitkering.
Gedurende de periode 1681-1798 was de betaling van deze uitkering opgedragen aan de commies ter betaling van de appointés. Diens administratie is onderdeel van het archief van de Rekenkamer van Zeeland, Rekenkamer C, inv.nrs 13090-14250 (toegang 508).
Het jaarlijkse bedrag van het pensioen bleef ongeacht de rang van de militair van 1681 tot en met 1798 onveranderd: 14 ponden, 9 schellingen en 8 penningen Vlaams (= € 39,43). In sommige gevallen ontving een militair een hogere uitkering ('dubbele paeije'). Garde-ruiters ontvingen 20 ponden, 11 schellingen en 4 penningen per jaar. Er werd gerekend in maanden van 42 dagen (lange maanden). In het laatste jaar (1798) werd dit systeem afgeschaft. De vervaldagen waren 6 mei, 9 september en 31 december. De eerste en tweede periode waren drie maal 42 is 126 dagen lang, de laatste 13 dagen minder dus 113 dagen (totaal 365 dagen). De betaaldagen waren 6 mei, 9 september en 1 januari van het volgende jaar. Men hield geen rekening met een schrikkeljaar. De appointé moest persoonlijk naar Middelburg komen om zijn uitkering in ontvangst te nemen. Als hij daartoe niet in de gelegenheid was kon hij een gemachtigde sturen. Na overlijden werd de laatste uitbetaling door de weduwe of een vertegenwoordiger van de erfgenamen opgehaald. In het laatste geval werd een attestatie van overlijden overhandigd. Het kwam ook voor dat niemand kwam opdagen en de betrokkene werd dan "pro memorie" vermeld. Meestal betekende het dat de rechthebbende overleden was, maar het was moeilijk om dat officieel vast te stellen. Uiteindelijk werd bepaald dat zo iemand na twaalf jaar van de lijst werd afgevoerd.
Als bewijs dat men gerechtigd was, moest de akte van aanstelling worden getoond en het geld werd voor een kwitantie afgegeven. Deze akte was niet de aanstelling tot militair, maar betrof de toekenning van het pensioen. Van een overledene moest de akte van aanstelling dan ook worden ingeleverd en dat deden de erfgenamen die zodoende de nog resterende gelden konden incasseren.
Er stonden overigens niet alleen afgekeurde militairen op de rol. Ook enkele gewestelijke functionarissen werden uit deze gelden betaald, zoals de twee 'oppassers van het Hof', dat waren de conciërges van de Abdij te Middelburg en verder de provoost van Vlissingen en de constabel van Zierikzee. Tegen het einde van de achttiende eeuw worden ook actief dienende militairen toegelaten.
De rekeningen zijn jaarlijks in dezelfde volgorde opgesteld. Als er een appointé was komen te overlijden, dan werd zijn plaats in de rekening door een andere persoon overgenomen. In totaal zijn er over de genoemde periode zo'n 13.500 betalingen gedaan aan 1.126 personen. De bijlagen bij de rekeningen zijn alleen over de periode 1761-1798 bewaard gebleven. Hierin bevinden zich de door de appointé ondertekende kwitantie voor ontvangst van de uitkering (10 gulden per 42 dagen) en de attestaties van overlijden van de appointés, op basis waarvan de overlijdensdatum is terug te vinden.
De rekeningen van de appointés zijn in de periode april 2007 t/m augustus 2008 ingevoerd door de heer C.P. Mulder te Rotterdam. Het invoerprogramma is gemaakt door de heer P. Weltevrede te Middelburg, die ook de correctie én de verwerking van de meer dan 13.500 inschrijvingen tot een bestand met 1.126 individuele appointés heeft uitgevoerd.
• Bemanningsleden schepen Admiraliteit Zeeland 1770-1793
Tijdens de Republiek regelde het College ter Admiraliteit in Zeeland alle zaken betreffende de oorlog te water; het archief van dit college berust in het Nationaal Archief in Den Haag (deels op microfilm in het Zeeuws Archief). De financiële afwikkeling van de zeeoorlog was in handen van de Ontvanger‑Generaal van Zeeland, die hierover in zijn ‘rekeningen te water’ verantwoording aflegde aan de Zeeuwse Rekenkamer. In het archief van de Rekenkamer zijn de rekeningen en bijlagen bewaard. In de bijlagen bij de rekeningen van de Ontvanger‑Generaal bevinden zich ook vele monsterrollen en betaalrollen van de schepen.
De namen van de bemanningsleden van de Zeeuwse Admiraliteit zijn door de heer P.F. Poortvliet uit de monsterrollen verzameld. Het resultaat is gepubliceerd door de werkgroep Prae1600Club van de Afdeling Zeeland van de Nederlandse Genealogische Vereniging ('De bemanningen der schepen van de Admiraliteit van Zeeland, 1610‑1793 (1796). 26 delen ([Kapelle] 1995‑1996 / Den Helder 1997)', in Zeeuws Archief als NADT 72). De periode 1770-1793 is gedigitaliseerd en toegevoegd aan Zeeuwen Gezocht.
• Bemanningsleden schepen Middelburgsche Commercie Compagnie 1721-1802
In 1720 verenigden kooplieden uit Middelburg zich in de Middelburgsche Commercie Compagnie (MCC). Aanvankelijk dreef de MCC vooral handel op de Middellandse Zee en West-Indië. Er waren handelscontacten met de Oostzee, de IJszee, de Witte Zee, Frankrijk en het Iberisch schiereiland (Spanje, Portugal). De MCC dreef ook handel op West-Afrika en dan met name Guinee en Angola. Daar werden voornamelijk goud, ivoor en andere producten van het land gekocht. De compagnie hield zich ook voor korte tijd bezig met visvangst en walvisvaart.
In 1730 verloor de WIC het alleenrecht op de slavenhandel tussen Afrika en Zuid-Amerika. Vanaf dat jaar ging de MCC zich bezig houden met de slavenhandel. Het eerste slavenschip werd uitgerust in 1730. Voor de reis terug naar Nederland werden dan nog geen retourgoederen meegenomen.
De eerste succesvolle driehoeksreis van de MCC vond plaats in 1732. Na een moeizame start werden de driehoeksreizen de belangrijkste bron van inkomsten van de MCC. In totaal ondernam deze compagnie 113 driehoeksreizen. De compagnie stopte met de slavenhandel in 1807 en concentreerde zich op de scheepswerf en lijnbaan. In 1889 werd de MCC opgeheven.
Het archief van de MCC bevindt zich in het Zeeuws Archief en is in de jaren 1945-1950 geïnventariseerd door archivaris W.S. Unger. Een belangrijk deel van dit archief bevat de documenten die betrekking hebben op de reizen van de schepen van deze compagnie, zoals monsterrollen en soldijboeken van de bemanningsleden, het journaal van de reis, de financiële administratie van elke reis met stukken als carga- en negotieboeken.
In de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de heer P.F. Poortvliet de namen van de bemanningsleden van de schepen van de MCC uit de monsterrollen en soldijboeken verzameld. Het resultaat is in 1995 gepubliceerd door de werkgroep Prae1600Club van de Afdeling Zeeland van de Nederlandse Genealogische Vereniging (De bemanningen der schepen van de Middelburgsche Commercie Compagnie 1721-1803, in Zeeuws Archief als NADT 161). Het digitale bestand is door de heer Poortvliet aan het Zeeuws Archief beschikbaar gesteld. Dit bestand is bewerkt en toegevoegd aan de website Zeeuwen Gezocht.
Een aantal gegevens in de monsterrollen en soldijboeken
is overgenomen zoals datum van aanmonstering en bijzonderheden over beëindiging dienstverband (desertie of overlijden). De bedragen van de betaalde gages en verwijzigingen naar testamenten en boedelverdelingen zijn terug te vinden in de originele registers.
Aan het hoofd van elk schip stond de kapitein. Andere functies waren die van: opperstuurman, (onder)stuurman, oppermeester, (onder)meester, opperchirurgijn, chirurgijn, opperkuiper, kuiper, oppertimmerman, timmerman, bottelier, botteliersmaat, bootsman, bootsmansmaat, zeilmaker, matroos, oploper en jongen.
De herkomst van de bemanningsleden is niet alleen Zeeland, maar vooral Duitsland en Scandinavië. De vaak vreemde namen zijn door de schrijvers van de MCC fonetisch opgeschreven en de naam van een persoon is gedurende diens dienstjaren niet altijd eenduidig genoteerd. Het bestand bevat 11.788 vermeldingen van bemanningsleden.
De inventaris van het archief is te raadplegen op de website www.archieven.nl.
• Bewindhebbers van de Verenigde Oostindische Compagnie kamer Zeeland 1602-1795
In het archief van de familie Mathias-Pous-Tak van Poortvliet inv.nr 374 bevindt zich een lijst met namen van bewindhebbers van de Verenigde Oostindische Compagnie kamer Zeeland, vanaf de oprichting in 1602 tot de liquidatie van deze handelscompagnie in 1795. Deze lijst is in de studiezaal in kopievorm beschikbaar als GIDS 24.
• Burgemeesters 1850-1855
In de jaren 1992 en 1993 heeft een grote groep amateur-onderzoekers onder auspiciën van de toenmalige Stichting Regionale Geschiedbeoefening Zeeland onderzoek gedaan naar 141 burgemeesters die in de periode 1850-1855 in één van in die tijd 116 gemeenten in Zeeland werkzaam waren. De gegevens betreffen de persoon, ouders en gezinssituatie, bezittingen en beklede functies en posities.
De resultaten van de onderzoeken zijn gepubliceerd in zes delen (Schouwen-Duiveland en Sint Philipsland (deel 1), Tholen (deel 2), Noord- en Zuid-Beveland (deel 3), Walcheren (deel 4), West-Zeeuws-Vlaanderen (deel 5) en Oost-Zeeuws-Vlaanderen (deel 6).
• Dijkwerkers te Westkapelle 1829-1870
Het Walcherse dorp Westkapelle en de dijk waarachter het al eeuwen ligt hebben een speciale band met elkaar. Het grootste deel van de mannelijke beroepsbevolking was eeuwen lang werkzaam aan de dijk.
Het bestand met de namen van de Westkappelse dijkwerkers is in 1990 gemaakt ten behoeve van een artikel dat L.M. Hollestelle heeft geschreven voor het jubileumboek van de Afdeling Zeeland van de Nederlandse Genealogische Vereniging (Het stamboek van de Westkappelse dijkwerkers : een specifieke beroepsbevolking in de periode 1815-1870, in Spelerieën (1992), p. 218-245). De namen zijn gereconstrueerd aan de hand van de in het archief van de Polder Walcheren (1511-1870) voorkomende stamboeken en lijsten (inv.nrs 1722, 1723 en 1875, toegang 3000).
De dijkwerkers waren georganiseerd in een elftal groepen, benden genaamd. Deze benden waren verdeeld in drie soorten: timmerlieden, rijswerkers en een elfde bende, waarin mannen die eigenlijk een ander beroep uitoefenden waren opgenomen en die als losse arbeiders meehielpen met daggeldwerkzaamheden. Zij mochten niet meehelpen aan het paal- en rijswerk. Een bende telde 20 tot 24 man. Bij de reorganisatie in 1851, waarbij het verschil tussen timmerlieden en rijswerkers werd opgeheven, werd het aantal benden op 12 bepaald van elk ongeveer 30 man.
Als een Westkappelse jongen dertien jaar was, werd hij bijna altijd toegelaten tot de bende waarin zijn vader werkzaam was. Het beroep van dijkwerker bood de Westkappelse mannen een zekere garantie van een inkomen, maar dat was in de negentiende eeuw vaak veel te weinig. Er werd in die tijd door de Westkappelse bevolking dan ook grote armoede geleden. Het polderbestuur van Walcheren probeerde met diverse maatregelen de nood te lenigen.
• Functionarissen en ambtenaren 1802-1813
Dit bestand bevat de namen van benoemde ambtenaren, bestuurders en rechterlijke functionarissen ten tijde van Franse Tijd in Zeeland.
Het betreffen de volgende archieven en inventarisnummers:
- Archieven der Gewestelijke Besturen van Zeeland, 1799-1810, inv.nr 402: Alfabetische naamlijst van aangestelde ambtenaren, 1802-1807.
- Archieven der Prefectuur van het departement der Monden van de Schelde, 1810-1814, inv.nr 39: Register van door de keizer benoemde functionarissen en hun installaties (1810 mei – 1813 nov.) ; inv.nr 40: Staat van vrederechters, griffiers, maires, adjunct-maires, leden van conseils municipaux, van commissions des hospices en van bureaux des bienfaisance, en geestelijken (1812) ; inv.nr 41: Registre des fonctionaires de l’ordre administratif à la nomination de monsieur le préfet (1812-1813).
• Kerkelijke dienaren 1575-1806
Bij de inventarisatie van door de rentmeesters van de geestelijke goederen in de periode 1575-1806 ingebrachte stukken (archief Rekenkamer van Zeeland B) bleek het mogelijk een vrijwel compleet overzicht samen te stellen van kerkelijke dienaren van de Nederduits Gereformeerde kerken, zoals voorzangers, voorlezers, schoolmeesters, kosters, klokluiders, ziekenbezoekers en dergelijke. De traktementen werden betaald uit de opbrengsten van de door de gewestelijke overheid in de jaren zeventig van de zestiende eeuw in beslag genomen Rooms-Katholieke geestelijke goederen.
Tot de voornaamste uitgaven van de rentmeesters behoorden de traktementen van kerkelijke dienaren. Tot de door de rentmeesters ingebrachte stukken (opgenomen in de bijlagen, acquitten genoemd) bevinden zich bewijsstukken van het veelal driemaandelijks uitbetaalde salaris. Ten behoeve van de eerste uitbetaling verstrekten Gecommitteerde Raden een ordonnantie van betaling, die tevens als aanstellingsbrief aangemerkt kan worden. Deze stukken verschaffen informatie over het lot van de voorganger van de nieuw-aangestelde en over de herkomst van de laatstgenoemde.
Van de verdere betaling treffen we eenvoudige kwitanties die de maanden waarover het traktement werd betaald, de functie van de ondergetekende en de plaats (en indien van toepassing de kerk) waar de dienst werd verricht vermelden. Soms zijn nog andere stukken bewaard gebleven, zoals verzoeken om verhoging van het traktement of een vergoeding voor de kosten van verhuizing.
In dit bestand van persoonsnamen van de kerkelijke dienaren zijn functie, plaats en periode opgenomen. Voor de grotere plaatsen is ook de kerk vermeld. Aanvullende gegevens betreffen herkomst, vertrek, echtgenoot en jaar van overlijden. Niet altijd waren de functies strikt gescheiden. Dikwijls trad een voorzanger ook op als voorlezer, verrichtte hij kosterswerkzaamheden en was hij tegelijkertijd klokluider.
Het terugzoeken van de genoemde stukken over deze kerkelijke dienaren moet aan de hand van de inventaris van het archief Rekenkamer B (vierde t/m zevende stuk) (toegang 505).
• Kerkenraadsleden Nederduits-Hervormde gemeente Middelburg 1574-1860
De namen van ouderlingen en diakenen die in de periode 1574-1860 zitting hadden in de kerkenraad van de Nederduits-gereformeerde kerk (Nederlands hervormde kerk) van Middelburg. Deze namen zijn verzameld door F. Nagtlas en gepubliceerd in ‘De algemeene kerkeraad der Nederduitsch-Hervormde gemeente te Middelburg van 1574-1860’. Het betreffen in totaal 5.818 namen. De papieren versie is opgenomen in Genealogische Afschriften 952. De scan is te raadplegen met Google Books.
• Latijnse school en Middelburgsch Gymnasium, directie 1600-1965
In 1894 publiceerde dr. Johann Georg Vögler, rector van het Middelburgsch Gymnasium, een overzicht van alle directieleden van de in 1574 in Middelburg opgerichte Latijnsche school, vanaf 1842 het Middelburgsch of Stedelijk Gymnasium. Het overzicht is gepubliceerd in ‘Archief VIIe deel, 2e en 4e stuk' (1894). bibliotheek Zeeuws Archief: zeel midd 481 voeg. In deze publicatie zijn van een aantal rectoren en praeceptoren biografieën opgenomen. De periode 1880-1965 is overgenomen uit jubileumboek ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van de Latijnse School/Stedelijk Gymnasium te Middelburg: J. Drijber e.a., 'Zeshonderd jaar Stedelijk gymnasium Middelburg', Middelburg 1965. Opgenomen in de bibliotheek van het Zeeuws Archief: zeel midd 481 zesh.
• Latijnse school en Middelburgsch Gymnasium, leerlingen 1629-1940
Dr. Johann Georg Vögler was rector van het Middelburgsch Gymnasium. Vlak voor zijn overlijden op 10 oktober 1906 voltooide hij een inventarisatie van alle leerlingen van deze school vanaf 1629 tot en met 1905. Het Middelburgsch of Stedelijk Gymnasium ontstond in 1842 en was een voortzetting van de in 1574 opgerichte Latijnse School. In 1879 kreeg het de onderwijsvorm die het tot 1969 behield.
Aan de hand van het archief van het Middelburgsch Gymnasium verzamelde Vogler de namen van 3.186 leerlingen. In totaal telde hij 3.201 namen. Hieronder namen van de vele families die in de zeventiende en achttiende eeuw zeer invloedrijk waren in Middelburg. Per leerling is vermeld de klas waarin hij of zij werd opgenomen. De eerste klas was de hoogste. De eerste vrouwelijke leerling, Johanna Nicoline Japikse, werd in 1892 toegelaten. De toelating geschiedde tot omstreeks 1733 tweemaal in het jaar. Daardoor was de laagste klas in twee afdelingen gesplitst, van welke de tweede die van tirones werd genoemd. 27 procent van het totaal aantal leerlingen haalde de publieke promotie.
Helaas is het archief van de Latijnse school en het oudste deel van het archief van het Middelburgsch Gymnasium in mei 1940 door brand verloren gegaan. Het gedeelte van het archief vanaf 1873 berust bij het Zeeuws Archief. Het door Vogler gemaakte overzicht is gepubliceerd in ‘Archief. Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland’, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1906 (pagina 1-82).
De papierenversie is opgenomen in Genealogische Afschriften nummer 956.
De periode 1906-1940 is overgenomen uit jubileumboek ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van de Latijnse School/Stedelijk Gymnasium te Middelburg: J. Drijber e.a., 'Zeshonderd jaar Stedelijk gymnasium Middelburg', Middelburg 1965. Opgenomen in de bibliotheek van het Zeeuws Archief: zeel midd 481 zesh.
Het totale bestand over de periode 1629-1940 bevat 3.707 namen.
• Magistraat van Middelburg 1560-1810
De namen van personen die in de periode 1560-1810 in het stadsbestuur van Middelburg de functie van pensionaris, baljuw, burgemeester, schepen, raad, secretaris, tresorier/thesaurier en rentmeester-generaal bekleedden. De namen zijn overgenomen uit ‘De Magistraat der stad Middelburg anno 1560’ (bibliotheek studiezaal zeel midd 930 magi) én uit de bewerkingen van de stadsrekeningen door H.M. Kesteloo over de periode 1600-1810 (gepubliceerd in Archief Zeeuws Genootschap 1898-1902).
• Marechaussee Zeeland 1840-1941
Het Corps de Marechaussée werd op 26 oktober 1814 door koning Willem I opgericht ter vervanging van de Franse gendarmerie. Omdat de term "gendarmerie" na de Franse bezetting te beladen werd geacht, noemde Willem het nieuwe korps "marechaussée" (een bestaand Frans synoniem voor gendarmerie). De marechaussee was ondergebracht bij de landmacht. De taken waren destijds het verrichten van politietaken voor de krijgsmacht, en civiel politiewerk als onderdeel van de rijkspolitie. In grensgebieden, zoals in Zeeland te Zeeuws-Vlaanderen, hield de marechaussee zich bezig met het bewaken van de grens en het bestrijden van de smokkelhandel.
De heer J. Grim uit Breda heeft jaren lang onderzoek gedaan naar personen die in de periode 1814-1940 als marechaussee werkzaam zijn geweest in Nederland. Het overzicht heeft de heer Grim in 1997 gepubliceerd (Index personeel Koninklijke Marechaussee 1814-1940). Omdat er geen centrale registratie van marechaussees in de (openbare) archiefbewaarplaatsen aanwezig is heeft de heer Grim een groot aantal bronnen geraadpleegd, waaronder de militaire stamboeken in het Nationaal Archief en personeelskaarten Koninklijke Landmacht bij het ministerie van Defensie. Acht jaar eerder, in 1989, heeft de heer Grim een overzicht samengesteld van in Zeeland gestationeerde personeelsleden van de marechausse op basis van bevolkingsregisters en archieven van kantongerechten (opgenomen in Genealogische Afschriften 586).
In Zeeland werd per 1 juni 1840 het zogenoemde Luitenantschap gevestigd te Sas van Gent. In 1903 werd de districtshoofdplaats overgebracht naar Vlissingen. In Zeeland waren er brigade's te Aardenburg,
Axel, Breskens, Cadzand, Hansweert, Hontenisse, Hulst, IJzendijke, Koewacht, Nieuw Namen, Oostburg, Philippine, Sas van Gent, Sluis, Sluiskil, Terneuzen, Vlissingen en Westkapelle. Per sterkte per brigade was verschillend, variërend van 1 brigadier of 1 wachtmeester en twee tot vijf marechaussees.
Het in Zeeuwen Gezocht opgenomen bestand is een bewerking van het door de heer Grim in 1989 gemaakte overzicht, aangevuld met gegevens uit de index uit 1997. Het betreffen in totaal 741 naamsvermeldingen.
• Middelburgse Teeken Akademie 1778-1885
Betreft een bestand met namen van lesgevende meesters en leerlingen van de Middelburgse Teeken Akademie, samengesteld door C.E. Heyning. Dit bestand is ook gepubliceerd in: Katie Heyning en Gerrit van Herwijnen (red.), ‘Om prijs en plaats’. De Middelburgse Teeken Akademie 1778-2003 (Middelburg 2004) en op de website van het Zeeuws Archief.
De Teeken Akademie was de grootste onderwijsinstelling van Middelburg. Vanaf 1778 hebben vele honderden leerlingen hier een opleiding gevolgd. In het jaar van oprichting telde men reeds 93 leerlingen en 185 honoraire leden. Dit waren leden die de Teeken Akademie financieel ondersteunden, maar zelf geen lessen volgden. De tekenlessen werden gevolgd door handwerkslieden, jonge mannen van goede stand en kunstenaars. Weeskinderen en minvermogenden kregen gratis les. Bekende (Zeeuwse) kunstenaars hebben hier een opleiding gehad, zoals Johan Pieter Bourjé, Johannes Hermanus Koekkoek en Cornelis Schraver en Jan Jacobus Worrell.
De Teeken Akademie bestaat nog steeds en organiseert als stichting elk jaar in nauwe samenwerking met docenten tekenen van de deelnemende scholen een project met steeds wisselende thema’s.
• Notarissen 1526-1925
Aan de hand van diverse bronnen (archiefinventarissen en het register der protocollen van notarissen in Nederland) is een databestand gemaakt van alle notarissen in Zeeland over de periode 1526-1925. Het bestand bevat 1.315 namen, met vermelding van standplaats, datum van admissie, informatie of het archief van de betreffende notaris nog aanwezig is met bijbehorende periode en bij welke archiefbewaarplaats in Zeeland dit archief berust.
• Personeel Marinewerf Vlissingen 1815-1868
Te Vlissingen was al in de zeventiende eeuw een scheepswerf waar de Admiraliteit van Zeeland (de Marine) haar schepen liet bouwen. In 1814 werd het marine-etablissement te Vlissingen ingericht op en naast het terrein van de voormalige Admiraliteitswerf. Het stond onder leiding van de Directeur en Commandant der Marine te Vlissingen en bestond uit een Werf van Aanbouw en een Werf van Uitrusting. In 1868 werd het Vlissingse marine-etablissement opgeheven.
Het archief van het Marine-etablissement berust bij het Zeeuws Archief. De stamboeken met 1.608 namen van de “minder geëmployeerden en werkvolk” over de periode 1815-1868 zijn door W. Weber geïndiceerd ten behoeve van zijn afstudeerscriptie. In de stamboeken (inventarisnummers 999-1008) wordt per werknemer vermeld: geboortedatum en –plaats, datum indiensttreding, functie bij indiensttreding, datum uitdiensttreding, functie bij uitdiensttreding en de reden van uitdiensttreding (bijvoorbeeld pensionering of overplaatsing).
Meer bijzonderheden over de marinewerf en zijn personeel zijn gepubliceerd in de scriptie: Wilbert Weber, ‘Hetgeen het zwaarste is, moet het zwaarste wegen’. De invloed van de marinewerf op Vlissingen van 1814 tot en met 1868 (Vlissingen 1995), aanwezig in de bibliotheek van het Zeeuws Archief.
• Polder Walcheren, bestuurders en functionarissen, 1323-1869
In 1912 werd de inventarisatie van het oude archief van de toenmalige Polder Walcheren te Middelburg door archivaris C. de Waard voltooid. De archiefinventaris is een lijvig boekwerk dat de archiefbescheiden van de polderbesturen van Walcheren over de periode 1511-1870 beschrijft. De inventaris bevat een uitgebreide bijlage met 2.285 namen van bestuurders en functionarissen. Wat de bestuurders betreft zijn dit niet alleen de namen van degenen die in het centrale bestuur zitting hadden, maar ook zij die één van de vier wateringen bestuurden, zoals dijkgraven en gezworenen. Personeel in dienst van de polder waren onder andere: commies, opzichter, waterklerk, boekhouder, bode, schutter, dienaar van de Rode Roede.
• Predikanten van de Nederduits-gereformeerde kerk/Hervormde kerk in Zeeland, (1565)1572-2004(2006)
Dr. A. Kastelein (1930-2006) heeft als predikant de hervormde gemeenten gediend van Hei- en Boeicop, Capelle a/d IJssel, Strijen, Nieuw-Stadskanaal en Dirksland. Kerkgeschiedenis (in het bijzonder van de Nederlandse hervormde Kerk) had zijn bijzonder belangstelling.
In 1995 publiceerde hij Predikanten die kwamen en gingen: een overzicht van predikanten die in de classis Brielle van de nederlandse Hervormde Kerk gediend hebben van de Reformatie tot 1995. Tijdens zijn emeritaat heeft hij eenzelfde onderzoek verricht voor de (kerk)provincie Utrecht.
• Predikanten van de Nederduits-gereformeerde kerk/Hervormde kerk in Zeeland, (1565)1572-1938 (Handschrift Regt)
Onderwijzer en amateur-historicus Willem Marie Catharinus Regt (1867-1938) uit Nieuwveen en Oudshoorn is bekend door het manuscript in 25 delen met gegevens over predikanten van de Nederduits-gereformeerde kerk/Hervormde kerk in Nederland. Dit manuscript is getiteld 'Naamlijsten der predikanten van ..." en bevat provinciegewijs per kerkelijke gemeente naamlijsten van predikanten tot en met 1938. Regt verzamelde vooral biografische gegevens van de predikanten. Hij schreef over deze personen ook bijdragen voor het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. De gegevens over de Zeeuwse predikanten zijn vastgelegd in twee delen (deel I A-M en deel II N-Z). De registers berusten bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. In de studiezaal van het Zeeuws Archief zijn gekopieerde exemplaren hiervan beschikbaar. De inhoud van deze delen is door een vrijwilliger minutueus ingevoerd. Meer gegevens over W.M.C. Regt op de website van Groene Hart Archieven.
• Provisionele representanten van het volk van Zeeland 1795
In de jaren 1986-1993 is door de Rijksarchiefdienst onderzoek gedaan naar de personen die na het uitroepen van de Bataafse Republiek in 1795 tot het gewestelijk bestuur toetraden. Deze mensen namen de plaatsen in van de bestuurlijke elite en werden homines novi (nieuwe mensen) genoemd. Van deze nieuwkomers is een uitgebreid prosopografisch onderzoek uitgevoerd.
De gegevens zijn gepubliceerd in: P. Brood e.a., 'Homines Novi. De eerste volksvertegenwoordigers van Zeeland in 1795' (Amsterdam 1993). Van de 97 Zeeuwse homines novi is een aparte publicaties (overdruk) beschikbaar: L.M. Hollestelle, Y.J.A. Welings en L. Zoodsma, ‘De eerste volksvertegenwoordigers van Zeeland in 1795’, (1993). De namen van de Zeeuwse homines novi zijn toegevoegd aan Zeeuwen Gezocht.
• Registers van commissiën en instructiën 1578-1809
In het archief van de Staten van Zeeland, het gewestelijk bestuur over de periode 1578-1795, bevinden zich acht delen genaamd ‘Registers van commissiën en instructiën’. In deze registers zijn akten geregistreerd die door de Staten van Zeeland zijn uitgegeven. De akten hebben betrekking op benoemingen en instructies voor militaire, bestuurs- en ambtelijke functies over de periode 1578-1809. In de registers staan de akten van commissie of instructie afgeschreven met in de marge de aantekening van verlening van dezelfde functie aan de opvolger(s). (Archief Staten van Zeeland inv.nrs 1667-1674).
• Registers van eedsafleggingen 1811-1937
Veel ambtenaren en functionarissen die een vertrouwelijke functie uitoefenden moesten beëdigd worden door de rechtbank. In de archieven van de rechtbanken kunt u de akte van beëdiging terugvinden, beschreven in de rubriek buitengerechtelijke zaken. Een belangrijk register over een lange periode 1811-1937 bevindt zich in het archief van de Arrondissementsrechtbank Middelburg (inv.nr 1037). De index op dit register is in de database van Zeeuwen Gezocht opgenomen. In het register staan 2.188 namen genoemd, niet alleen van rechterlijke ambtenaren, maar ook van personen wier functie een zeker vertrouwen van het publiek genoten, zoals boekdrukkers, makelaars en landmeters. Van de personen wordt vermeld de functie, de datum van benoeming, de datum van beëdiging en de persoon of instantie door wie zij zijn aangesteld.
• Registers van octrooien 1582-1797
In het archief van de Staten van Zeeland, het gewestelijk bestuur over de periode 1578-1795, bevinden zich vier delen genaamd ‘Registers van octrooien’. In deze registers zijn akten geregistreerd die door de Staten van Zeeland zijn uitgegeven. De akten hebben voornamelijk betrekking op aan particuliere personen toegestane vergunningen inzake ambachtsheerlijke rechten, uitoefening van bedrijven, bedijkingen en aanleg van openbare werken. (Archief Staten van Zeeland inv.nrs 1676-1679).
• Vroedschap van Zierikzee 1523-1795
De namen van personen die in het stadsbestuur van Zierikzee zitting hebben gehad. Hun gegevens zijn verzameld door de vroegere gemeentearchivaris van Zierikzee, P.D. de Vos en gepubliceerd in: P.D. de Vos, 'De vroedschap van Zierikzee van de tweede helft der 16de eeuw tot 1795' (Middelburg 1931, herdruk Alphen aan den Rijn 1982) (bibliotheek studiezaal zeel zier 938.1 vos).
• Zeeuwse Mobiele Schutterij 1830-1839
Bij de grondwet van 1814 werden op uniforme wijze georganiseerde schutterijen ingesteld, die in tijd van oorlog konden dienen als versterking van het leger. Men kende, volgens de wet van 1827, in steden van tenminste 2.500 inwoners dienstdoende en in de overige steden en op het platteland rustende schutterijen. De wet stelde de sterkte van beide schutterijen vast op 600 man voor elke 20.000 inwoners. Alle mannelijke Nederlanders tussen 18 en 50 jaar (vanaf 1827: tussen 25 en 34 jaar) kwamen voor de dienst in dienstdoende en rustende schutterijen in aanmerking. De diensttijd was vijf jaar. Bij oorlogsdreiging werden beide schutterijen tot een mobiele schutterij samengevoegd. De enige keer dat dit heeft plaatsgevonden was tijdens de Belgische Opstand van 1830-1839.
De gemobiliseerden werden ingedeeld in compagnieën ter sterkte van zo mogelijk 150 man. Een bataljon werd samengesteld uit vier tot zes compagnieën en een afdeling bestond uit twee tot drie bataljons. Bij Besluit van 4 augustus 1839 werden de korpsen Mobiele Schutterij ontbonden.
Het archief van de Zeeuwse Mobiele Schutterij bevat de controle- en administratieboeken over de jaren 1830-1839. Deze registers bevatten de data- en plaatsen van geboorte, de namen van de ouders en de laatste woonplaats van de leden van de schutterij, en vaak ook een signalement van de persoon. De administratie is niet altijd nauwkeurig. Van dezelfde personen worden soms twee of meer verschillende geboortedata en/of geboorteplaatsen opgegeven. De geboortedata variëren van ongeveer 1767 tot 1816. De controle- en administratieboeken geven aan "de veranderingen en bewegingen" der leden van de schutterij, d.w.z. data van aankomst, verlof, overplaatsing, groot verlof en zo meer. De administratieboeken zijn uitvoeriger dan de controleboeken. Zij bevatten ook gegevens over de dagelijkse sterkte aan officieren, onderofficieren en manschappen, alsmede over soldij, levensmiddelen, kleding, uitrusting, wapenen, legergoed en zo meer.
Zeeuws Genootschap, directie en leden, 1769-1930
Het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen is opgericht in 1769 en bestaat nog steeds. Het genootschap stelt zich ten doel de beoefening van kunsten en wetenschappen in Zeeland te bevorderen. Het Genootschap doet dit door de instandhouding en uitbreiding van zijn omvangrijke museale collecties, de organisatie van wetenschappelijke bijeenkomsten, lezingen en excursies en door het uitgeven van publicaties. Lees meer over dit genootschap de website. Het oud-archief van het genootschap berust bij het Zeeuws Archief. De registers met de namen van directeuren (bestuursleden) en leden t/m 1930 zijn ingevoerd. Onder hen vooral wetenschappers uit heel Nederland en personen met hoge ambtelijke functies in Zeeland.
[laatst bijgewerkt: 8 juli 2010]
|